U heeft Adobe Flash Player nodig om deze website te kunnen bekijken, klik op de onderstaande knop om Adobe Flash Player te downloaden.

Get Adobe Flash player

Rob de Zeehondgaat naar Boomhiemke

Nog niet zo lang geleden werd er in de Grote Diepzee een zeehondje geboren. Vader en moeder trakteerden de andere zeehonden uit de grote familie op broodjes met blauwvis. “Want het is een jongetje,” zei pa Wallie. “We noemen hem Rob!”
Het jonge zeehondje kon meteen al heel goed zwemmen en duiken. Dat merkte ook opa Robert die lekker lui op het strand lag te zonnebaden. “Plons!”, Rob maakte hem met één sprong in het water kliedernat. “Brrr grrr,” brieste de geschrokken oude, grijze zeehond, “kwajongen, zal ik jou eens met je kop in het zand stoppen?” Maar Rob was al lachend weggezwommen …
Kijk, dáár dobberde Willem Walvis. Die was wel duizend keer zo groot als Rob. Maar niemand was bang voor Willem, hij was altijd vrolijk en aardig. Behalve die ene keer toen Thea Tonijn tegen Willem had gezegd dat ie dik was. “Ik ben niet dik, ik ben gespierd,” schreeuwde Willem toen, zó hard, dat er grote golven in het water kwamen.
“Hallo Willem, zullen we fonteintje spelen?,” vroeg Rob. “Mij best, spring maar bovenop, dan ga ik wel even blazen!” Rob ging met de waterstraal heel hoog de lucht in. Heerlijk vond hij dat. En je kon zo’n eind in de verte kijken. Wat was dat daar ginds toch, dat rood-witte ding? Zoiets had Rob nog nooit eerder gezien.
De jonge zeehondjes waren met elkaar tikkertje aan het spelen bij de haringenschool. “Jij bent ‘m, Rob,” zei z’n zusje Marina. Al heel snel had Rob alle andere zeehondjes uitgetikt. Hij kon ook zó goed zwemmen …
Rob won altijd, ook bij het verstoppertje spelen. Zelfs zijn nichtje Lisa had hij heel gauw gevonden. En ze had zich nog wel zo goed verstopt in de zeegrasweide. Toen mocht Rob zich verbergen. Niemand van de kleintjes kon hem vinden, maar hij zat dan ook in de grote donkere inktvissentuin. Toen de vader van Rob dat hoorde was deze erg boos. “Jij mag toch niet in die gevaarlijke buurt komen? Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen?”
Rob vond het spelen in de zee ineens niet meer zo leuk …
“Opa, dat rood-witte ding dat ik laatst zag, wat was dat?” “Breuuuhaa!”, opa Robert schraapte z’n keel. Dat deed hij altijd als hij iets belangrijks wilde zeggen. “Jij hebt de vuurtoren van Ameland gezien,” sprak opa, “die helpt ons de goede weg te vinden op zee. Is dat niet aardig van de mensen op Ameland?”
“Mensen, opa, wat zijn dat?” “Breuuuhaa, dat zijn een soort zeehonden die heel slecht kunnen zwemmen. Ze gaan bijna nooit de zee in. Maar ze hebben kinderen die heel goed kunnen spelen.”
“Mensenkinderen kunnen heel goed spelen? Mag ik met ze gaan spelen, opa? Toe opa, ik wil naar de vuurtoren, ik wil naar Ameland! Toe opa, alsjeblieft!”
Rob bleef maar smeken en vragen. Hij wilde dolgraag naar Ameland, om te spelen met de kinderen bij de vuurtoren. Vader, moeder en opa werden er moe van. “Ik wil naar Ameland. ik wil naar Ameland, ik ga er naartoe zwemmen, hoor.”
“Breeuuuhaaa! Dat is veel te gevaarlijk,” stamelde opa. “Dan weet ik wel wat beters. Ik vraag mijn mensenvriend kapitein Jan Otto Enema wel of jij met zijn boot mee mag. Hij vaart hier elke schelvisdag.”
“Met de boot naar Ameland, hoi, hoi,” juichte Rob. Hij sprong van vreugde in het water en maakte wel veertig koprollen. Een beetje duizelig kwam hij weer aan wal.
“Tooooeeet!”, Rob schrok van de hoorn van de boot van Jan Otto Enema. De kapitein had een heel grote walrussensnor. Als hij sprak dansten de punten van de snor op en neer: “We gaan over 5 minuten aan wal bij de vuurtoren!” “Toooeeet!”
Rob stapte als eerste van de boot. Op het strand zag hij al heel veel kinderen die aan het spelen waren. De grote ogen van Rob werden nog groter en van plezier klapte hij met zijn voorpoten: “ Klak-klak-klak-klak”. Daar moesten de jongens en meisjes erg om lachen.
Lang voordat de zon onderging waren de zeehond en de mensenkinderen op Ameland goede vriendjes geworden.
Toen Rob moe was geworden, zei Ilse, het lieve meisje van Boomhiemke: “Wij hebben bij de receptie wel een waterbed voor jou! En ga in het eetcafé maar eerst heel lekkere vis eten!”
Die nacht droomde Rob van de aller-aller-grootste boot met een hoge rood-witte vuurtoren erop. Die boot zei geen “Tooooeeet!”, maar “Breeuuuhaaa!”
“Róóób, Róóób, kom je mee buiten spelen!” Hij was meteen klaarwakker. Bij de receptie van Boomhiemke stonden allemaal jongens en meisjes. Voor hem. Of hij mee wilde gaan? Natuurlijk! Ze waren zo in het overdekte zwembad. Daar deed hij een in het water. De kletsnatte badmeester wilde hem pakken, maar samen met de kinderen was hij al weer op weg naar de bowling. Hij roetschte er op zijn buik over de gladde vloer. “Boems!” Alle kegels in één keer om! De kinderen kregen de hik van het lachen. Ook op het strand en bij het verstoppertje spelen tussen de villa’s van Boomhiemke hadden ze enorm veel lol. Rob vond het zó leuk, dat hij graag altijd op Boomhiemke wilde blijven. Om elke dag met de kinderen te kunnen spelen. “Asjeblieft, asjeblieft, mag dat?” Het mocht, iedereen vond het goed.
En daarom woont Rob nu op Boomhiemke. ’s Nachts en soms overdag slaapt hij boven bij de receptie. Misschien hoor je ‘m soms wel snurken: “Gnnnrrrrrrr, gnnnrrrrrr.” En als hij daar niet is? Kijk dan maar goed om je heen. Misschien kom je hem wel tegen op Boomhiemke. Om ook met jou te spelen. Veel plezier!